‘Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt. Misschien verliest ieder van ons het overzicht precies in de mate waarin hij voortbouwt aan zijn eigen werk, en misschien hebben we daarom de neiging om de toenemende complexiteit van onze geestesconstructies te verwarren met een vooruitgang in kennis, terwijl we tegelijkertijd wel vermoeden dat we de imponderabilia die onze loopbaan werkelijk bepalen nooit zullen kunnen begrijpen.’
[W.G. Sebald, De ringen van Saturnus, p. 184-185.]
Posts tonen met het label Uit de leeszaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Uit de leeszaal. Alle posts tonen
zaterdag 24 september 2011
vrijdag 16 september 2011
Uit de leeszaal (69)
‘Korzenievski, die na zijn aankomst in Oostende onmiddellijk naar Marguerite Poradovska in Brussel reist, ervaart de hoofdstad van het koninkrijk België met haar steeds bombastischer wordende gebouwen nu als een grafmonument dat zich verheft boven een hecatombe van zwarte lichamen, en hij heeft het gevoel dat de voorbijgangers op straat allemaal het duistere geheim van Kongo in zich dragen. Inderdaad bestaat er in België tot op de huidige dag een bijzonder soort lelijkheid, die door de periode van ongeremde uitbuiting van de Kongolese kolonie is gevormd en zich manifesteert in de macabere sfeer van bepaalde salons en in een opvallende mismaaktheid van de bevolking, zoals je die elders maar zelden aantreft. In elk geval herinner ik mij heel goed dat ik bij mijn eerste bezoek aan Brussel in december 1964 meer gebochelden en gekken ben tegengekomen dan anders in een heel jaar.’
[W.G. Sebald, De ringen van Saturnus, p. 129.]
[W.G. Sebald, De ringen van Saturnus, p. 129.]
Labels:
Uit de leeszaal
woensdag 31 augustus 2011
Uit de leeszaal (68)
‘Ik heb niet altijd thuis gezeten. Ik heb blootsvoets de Himalaya bedwongen, met vier dragers op mijn rug. Ik kan waterskiën met één hand. Ik heb op een dag drie keer tussen Bakkum en Dover heen en weer gezwommen. Ik heb een tijdje in Parijs gewoond. Dat moest van de academie. Daar heb ik die Wolkers nog ontmoet. Die kwam daar ook maar als toevallige toerist, met zijn gezinnetje de Eiffeltoren bekijken, boterhammen eten op een bankje aan de Boulevard. Ik was minstens vijftig jaar te laat. De arme kunstenaars waren allemaal vertrokken. De stad was in een pretpark veranderd. In het tiende district vond ik na heel lang zoeken een discotheek waar ten minste een paar gewone mensen rondhingen, lui die niets beters te doen hadden, lui die geen bezienswaardigheden zoeken, mijn generatie. Le Bain Douche, heette die tent. Jaren later kreeg ik van de uit de hand gelopen dichter Jan Kostwinder een cd van Joy Division, Live at Le Bain Douche, precies daar waar ik in diezelfde tijd ’s nachts rondhing, niks van gemerkt. Weer een jaar later was hij dood, Kostwinder bedoel ik, Ian Curtis, de zanger van die band, was al twintig jaar weg. Blaasmuziek.’
[F. Starik, De gastspeler, p. 138.]
[F. Starik, De gastspeler, p. 138.]
Labels:
Uit de leeszaal
woensdag 10 augustus 2011
Uit de leeszaal (67)
'Een band is voor Kamiel een tulband.
Liggen is voor Kamiel gelegen zijn in een sarkofaag.
Lopen is voor Kamiel op gloeiende kolen en zitten is voor Kamiel op spijkers, nagels.
Kamiel is vorig jaar naar Bombay geweest.
Ik niet. Dat scheelt. Ik ben naar Turkije geweest voor melk en mandarijntjes en dat was, toch voor mijn gewone modus vivendi, ook al een klein beetje vakantie.
Heden Kerstmis, of is het nu Kermis, en gelukkig eens geen buikloop, wel scheurbuik, maar ik heb geen tanden meer die ervan zouden kunnen uitvallen en is dat eigenlijk feitelijk vandaag dat gedoe met die vurige tongen.
En troost mij toch, gij troosteloze Tom Waits, en wals met mij, Matilda, en patroonheiligen van verloren illusies, verlos mij van m'n laatste en m'n allerlaatste.
Ik zweer het ullie, na vij jaar anorexia vallen zelfs uw schoenen van uw voeten en moet ge ze 2 maten kleiner kopen, ik zit zelf aan 36 en dan die eenzaamheid die boort als John Boorman.
En ullie vrienden zijn mijn vrienden maar als ullie vrienden niet met mij de veiligheidsdans willen dansen zijn het geen vrienden van mij.
Kamiel, zeg eens kort en bondig prot tegen God, tegen de vader, tegen de zoon, tegen de geest, dan zult gij nooit meer eenzaam zijn als ik.
Hahoi, cara mia, kwantasaran, ormai, ne pietsjepietsjepietsjepietsjepietsjenein.'
[J.M.H. Berckmans, Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel, p. 86.]
Liggen is voor Kamiel gelegen zijn in een sarkofaag.
Lopen is voor Kamiel op gloeiende kolen en zitten is voor Kamiel op spijkers, nagels.
Kamiel is vorig jaar naar Bombay geweest.
Ik niet. Dat scheelt. Ik ben naar Turkije geweest voor melk en mandarijntjes en dat was, toch voor mijn gewone modus vivendi, ook al een klein beetje vakantie.
Heden Kerstmis, of is het nu Kermis, en gelukkig eens geen buikloop, wel scheurbuik, maar ik heb geen tanden meer die ervan zouden kunnen uitvallen en is dat eigenlijk feitelijk vandaag dat gedoe met die vurige tongen.
En troost mij toch, gij troosteloze Tom Waits, en wals met mij, Matilda, en patroonheiligen van verloren illusies, verlos mij van m'n laatste en m'n allerlaatste.
Ik zweer het ullie, na vij jaar anorexia vallen zelfs uw schoenen van uw voeten en moet ge ze 2 maten kleiner kopen, ik zit zelf aan 36 en dan die eenzaamheid die boort als John Boorman.
En ullie vrienden zijn mijn vrienden maar als ullie vrienden niet met mij de veiligheidsdans willen dansen zijn het geen vrienden van mij.
Kamiel, zeg eens kort en bondig prot tegen God, tegen de vader, tegen de zoon, tegen de geest, dan zult gij nooit meer eenzaam zijn als ik.
Hahoi, cara mia, kwantasaran, ormai, ne pietsjepietsjepietsjepietsjepietsjenein.'
[J.M.H. Berckmans, Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel, p. 86.]
Labels:
Uit de leeszaal
donderdag 4 augustus 2011
Uit de leeszaal (66)
‘Nog moeilijker dan de ontregeling van het gebroken en gelijmde leven was de gezondheid te dragen van minuut tot minuut, van uur tot uur, van zichzelf tot zichzelf en van de een tot de ander. Want het bewustzijn eiste zijn tol – en hoe het gelag te betalen? Jack hoorde wel eens schrijvers beweren dat het boek zichzelf schreef. Ook het bewustzijn schreef zichzelf, en waar ze vroeger haperingen aanbrachten met de hulp van een sigaret, de cesuur van een glas wodka of de slaap-waak van hasjiesj, waren ze nu overgeleverd aan een continue stroom van aandacht.
Ze werden ziek van de tijd, van de volgens de precisie van de wiskunde registreerbare opeenvolging van gebeurtenissen, zelfs al gebeurde er in de vulgaire betekenis van het lemma ‘gebeuren’ niets.
In hun gezondheid duurden de dagen en nachten eindeloos, strekte de tijd zich uit als platgewalste mensen op een braakliggend terrein. Ze hadden al niet veel te vertellen gehad, nu nog minder. Dat was de tol van de gezondheid en Jack voelde zich er heerlijk bij, en angstig als nooit tevoren. Er speelde zich een leven af.'
[David Nolens, De kunst van het wachten, p. 53-54.]
Ze werden ziek van de tijd, van de volgens de precisie van de wiskunde registreerbare opeenvolging van gebeurtenissen, zelfs al gebeurde er in de vulgaire betekenis van het lemma ‘gebeuren’ niets.
In hun gezondheid duurden de dagen en nachten eindeloos, strekte de tijd zich uit als platgewalste mensen op een braakliggend terrein. Ze hadden al niet veel te vertellen gehad, nu nog minder. Dat was de tol van de gezondheid en Jack voelde zich er heerlijk bij, en angstig als nooit tevoren. Er speelde zich een leven af.'
[David Nolens, De kunst van het wachten, p. 53-54.]
Labels:
Uit de leeszaal
dinsdag 5 juli 2011
Uit de leeszaal (65)
‘Over een week zal duidelijk worden dat al zijn voorspellingen fout waren. Dan vragen ze een andere deskundige, of misschien wel dezelfde, en die doet dan weer nieuwe voorspellingen, nog altijd even zeker van zijn zaak… (…) Hoe kan een discipline die er niet eens in slaagt verifieerbare voorspellingen te doen in godsnaam doorgaan voor een wetenschap? (…)
Een moord, zei ze tegen haar man, leek haar een door en door menselijke daad, weliswaar verbonden met de donkere zones van het menselijke, maar toch nog altijd menselijk. En kunst, om een ander voorbeeld te nemen, was overal mee verbonden, met de donkere zones, met de lichte zones, met de tussenliggende zones. De economie was bijna nergens mee verbonden, alleen met het meest machinale, voorspelbare, mechanische deel van de mens. Niet alleen was het geen wetenschap, het was ook geen kunst, het was al met al zo ongeveer niets.’
[Michel Houellebecq, De kaart en het gebied, p. 262-263]
Een moord, zei ze tegen haar man, leek haar een door en door menselijke daad, weliswaar verbonden met de donkere zones van het menselijke, maar toch nog altijd menselijk. En kunst, om een ander voorbeeld te nemen, was overal mee verbonden, met de donkere zones, met de lichte zones, met de tussenliggende zones. De economie was bijna nergens mee verbonden, alleen met het meest machinale, voorspelbare, mechanische deel van de mens. Niet alleen was het geen wetenschap, het was ook geen kunst, het was al met al zo ongeveer niets.’
[Michel Houellebecq, De kaart en het gebied, p. 262-263]
Labels:
Uit de leeszaal
donderdag 23 juni 2011
Uit de leeszaal (64)
‘Hij houdt het voor gezien.’
‘Het is Tonio ten voeten uit. Als hij de werking van iets, een machine of een natuurverschijnsel, eenmaal heeft doorgrond, verliest hij zijn geduld. Er is meer in de wereld dat zijn aandacht opeist. (…)
Maar sinds Zwarte Pinksterdag bijna elf jaar later blijft mijn herinnering aan de zonsverduistering steken bij Tonio’s afhaken. ‘Zo, en nu wil ik er niets meer mee te maken hebben.’ Op momenten dat zijn dood echt tot me doordringt, en de kou en de schrik me om het hart slaan, ligt weer dat zielloze schijnsel van de eclips over de wereld, die net als toen z’n adem met vogelgefluit en al inhoudt. Al het andere (de heldere dageraad, de stekende zon aan een egaal blauwe hemel, de contrastrijke avondschemering) is illusie, een herinnering aan hoe het mogelijk ooit geweest is. Er is een schaduw over gevallen – niet de vitale schaduw, die de sterkte en de beweeglijkheid van de zon aangeeft, maar de valse, giftige schaduw van de zonsverduistering, allesdoordringend en alles besmettend.’
[A.F.Th. van der Heijden, Tonio, p. 628-629.]
‘Het is Tonio ten voeten uit. Als hij de werking van iets, een machine of een natuurverschijnsel, eenmaal heeft doorgrond, verliest hij zijn geduld. Er is meer in de wereld dat zijn aandacht opeist. (…)
Maar sinds Zwarte Pinksterdag bijna elf jaar later blijft mijn herinnering aan de zonsverduistering steken bij Tonio’s afhaken. ‘Zo, en nu wil ik er niets meer mee te maken hebben.’ Op momenten dat zijn dood echt tot me doordringt, en de kou en de schrik me om het hart slaan, ligt weer dat zielloze schijnsel van de eclips over de wereld, die net als toen z’n adem met vogelgefluit en al inhoudt. Al het andere (de heldere dageraad, de stekende zon aan een egaal blauwe hemel, de contrastrijke avondschemering) is illusie, een herinnering aan hoe het mogelijk ooit geweest is. Er is een schaduw over gevallen – niet de vitale schaduw, die de sterkte en de beweeglijkheid van de zon aangeeft, maar de valse, giftige schaduw van de zonsverduistering, allesdoordringend en alles besmettend.’
[A.F.Th. van der Heijden, Tonio, p. 628-629.]
Labels:
Uit de leeszaal
dinsdag 14 juni 2011
Uit de leeszaal (63)
‘Is dit nou beschaving?’ vatte ik onderweg tegenover Mirjam mijn walging nog eens samen. ‘Een maatschappij, een samenleving, een stad… dat behoort overwinning op de wanorde te zijn. Het is een organisatie die niets aan het toeval overlaat, althans dat zo min mogelijk probeert te doen. De chaos vindt altijd wel ergens een kier om de orde binnen te dringen. Maar het streven dient altijd ordening, organisatie, beheersing van de chaos te zijn. Toch? Ik wil best geloven dat op dat uur het oranje licht laten knipperen minder riskant is dan met rood en groen werken. (…) Tonio was het slachtoffer van de uitzondering. De kleinere nederlaag die het systeem lijdt, ten nadele van de grotere. Het vreselijke is dat de samenleving haar verlies vanzelfsprekend neemt… zwijgend… Het is nou eenmaal ingecalculeerd. Het gevolg is dat niemand zich over ons buigt. Geen verontschuldigend woord, niets. IJskoude stilte. Wij blijven gewoon belasting betalen voor de nachtelijke organisatie van de Amsterdamse stoplichten. Niemand maalt er verder om. Wij dienen ons verlies te nemen zoals zij hun verlies nemen. Als een bedrijfsongevalletje.’
[A.F.Th. van der Heijden, Tonio, p. 409-410.]
[A.F.Th. van der Heijden, Tonio, p. 409-410.]
Labels:
Uit de leeszaal
maandag 30 mei 2011
Uit de leeszaal (62)
‘Mijn gedachten bleven rond Tonio’s geboorte cirkelen – ongetwijfeld door de congruentie van omstandigheden. De onzekere rit naar het ziekenhuis… het tergend nerveuze wachten… Als ik schuldig was aan zijn ongeluk, dan kwam dat in de eerste plaats doordat ik zijn geboorte op mijn geweten had.
Als iemand op dat moment de kamer binnen was gekomen om mij voor te houden dat ik destijds, op 15 juni 1988, willens en wetens de vroedvrouw haar foute route had laten vervolgen, dit om Tonio’s geboorte te saboteren, dan had ik het ook geloofd. Vanaf de dag dat ik een kind wilde, had ik het ook niet gewild. Ergo: door mijn ingekankerde halfslachtigheid was Tonio niet levensvatbaar. Vanmorgen was dat eens te meer gebleken – misschien wel onherroepelijk.’
[A.F.Th. van der Heijden, Tonio, p. 91.]
Als iemand op dat moment de kamer binnen was gekomen om mij voor te houden dat ik destijds, op 15 juni 1988, willens en wetens de vroedvrouw haar foute route had laten vervolgen, dit om Tonio’s geboorte te saboteren, dan had ik het ook geloofd. Vanaf de dag dat ik een kind wilde, had ik het ook niet gewild. Ergo: door mijn ingekankerde halfslachtigheid was Tonio niet levensvatbaar. Vanmorgen was dat eens te meer gebleken – misschien wel onherroepelijk.’
[A.F.Th. van der Heijden, Tonio, p. 91.]
Labels:
Uit de leeszaal
zondag 22 mei 2011
UIt de leeszaal (61)
'Stuart Chase and others have come near to claiming that all abstract words are meaningless, and have used this as a pretext for advocating a kind of political quietism. Since you don't know what Fascism is, how can you struggle against Fascism? One need not swallow such absurdities as this, but one thought to recognize that the present political chaos is connected with the decay of language, and that one can probably bring about some improvement by starting at the verbal end. (...) Political language - and with variations this is true of all political parties, from Conservatives to Anarchists - is designed to make lies sound truthfull and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind.'
[George Orwell, Why I write, p. 120]
[George Orwell, Why I write, p. 120]
Labels:
Uit de leeszaal
woensdag 4 mei 2011
Uit de leeszaal (60)
‘In western thought, space is empty and has to be occupied with matter. Time is empty and must be filled with activity. (…) We like our lives to be carpeted wall to wall. (…)
The Japanese describe empty space as kukan, which comes close to our understanding of it; but they also recognize ma, which is something very different.
There is little in any of the precise Indo-European languages, certainly not in English, to compare with ma. In that syllable is a guarantee of equal rights for the interval, an assurance that empty space and free time have their own value and integrity. Ma is an ability to see and feel space, which is perceived as an area of change, of hue and brightness. It recognizes the huge burden of meaning which is carried by small silences, and the fact that the interval calls for more, rather than less participation, simply because it is incomplete.’
[Lyall Watson, Heaven’s Breath, p. 271.]
The Japanese describe empty space as kukan, which comes close to our understanding of it; but they also recognize ma, which is something very different.
There is little in any of the precise Indo-European languages, certainly not in English, to compare with ma. In that syllable is a guarantee of equal rights for the interval, an assurance that empty space and free time have their own value and integrity. Ma is an ability to see and feel space, which is perceived as an area of change, of hue and brightness. It recognizes the huge burden of meaning which is carried by small silences, and the fact that the interval calls for more, rather than less participation, simply because it is incomplete.’
[Lyall Watson, Heaven’s Breath, p. 271.]
Labels:
Uit de leeszaal
maandag 11 april 2011
Uit de leeszaal (59)
‘Maar wat vrije marktdenkers vaak vergeten, is dat de vrije markt ook maar een papieren model is of, zoals de filosoof Hans Achterhuis stelde, een utopie. Het is onzin dat inkomens tot stand komen in een blind spel van vraag en aanbod. (…) Maar het is zonneklaar dat topmanagers misbruik maken van de macht om hun eigen salaris vast te stellen (…). De kredietcrisis heeft laten zien dat veel topsalarissen helemaal niet waren gebaseerd op objectief meetbare verdiensten. Integendeel, zelfs. De vrije markt bepaalt zulke salarissen niet, ze legitimeert ze alleen. De macht bepaalt het salaris, de markt wordt gebruikt om de macht te verdedigen. Heeft u bezwaar tegen mijn miljoenensalaris? Tja, het is nu eenmaal de vrije markt. Ik kan het ook niet helpen. Echt niet. Ik zou het nog sterker willen zeggen: de vrije markt dwingt mij om zoveel te verdienen.’ [Peter Giesen, ‘Het menselijk tekort’, in: de Volkskrant, 9 april 2011]
Labels:
Uit de leeszaal
zaterdag 26 maart 2011
Uit de leeszaal (58)
‘When she took her shoes off, I saw they were chunky and old-fashioned. I began to wonder what period ghost she was. The eye make-up suggested early- to mid-sixties. A ghost that had been a fan of The Beatles – it was a strange thought.
I sat down on the bench, pretending to count my change. She would sit down beside me, I knew, when she came to roll down here tights. And she did – and I could feel both how close she was and how she really wasn’t there at all. The presence was all of her personality – the density of her intelligence, the straightforwardness of her passion – but was none of her physicality. She disturbed no air, gave off no warmth, made no sound.
I watched as she, still grasping the rolled up tights, climbed head first into the machine. The I closed the door behind her, put down my wallet and change, poured out my two half-cups of powder, fed in my three 50ps and sat back. I was trembling. (…)
My wallet wasn’t in my pocket. I remembered putting it on top of the washer. I turned, without thinking, and walked right through her.
I did not feel, as is often said, “a terrible chill pass through me”. In fact, it was more like passing through a washing machine, as she had just, in theory, done. Inside her, where I for a brief second was, everything was hot and close and dense and churning. I was walking through a terrible emotion – an emotion that brought together jealousy, betrayel, guilt and fury, but excluded love. It was an emotion without explanation. ’
[Toby Litt, ‘Launderama’ in: Adventures in Capitalism, p. 134-136].
I sat down on the bench, pretending to count my change. She would sit down beside me, I knew, when she came to roll down here tights. And she did – and I could feel both how close she was and how she really wasn’t there at all. The presence was all of her personality – the density of her intelligence, the straightforwardness of her passion – but was none of her physicality. She disturbed no air, gave off no warmth, made no sound.
I watched as she, still grasping the rolled up tights, climbed head first into the machine. The I closed the door behind her, put down my wallet and change, poured out my two half-cups of powder, fed in my three 50ps and sat back. I was trembling. (…)
My wallet wasn’t in my pocket. I remembered putting it on top of the washer. I turned, without thinking, and walked right through her.
I did not feel, as is often said, “a terrible chill pass through me”. In fact, it was more like passing through a washing machine, as she had just, in theory, done. Inside her, where I for a brief second was, everything was hot and close and dense and churning. I was walking through a terrible emotion – an emotion that brought together jealousy, betrayel, guilt and fury, but excluded love. It was an emotion without explanation. ’
[Toby Litt, ‘Launderama’ in: Adventures in Capitalism, p. 134-136].
Labels:
Uit de leeszaal
zondag 13 maart 2011
Uit de leeszaal (57)
‘At that moment I understood it was not any piano but my hearing that was off-key. I was hearing a C as a C-sharp. That was the beginning. I shrugged and persuaded myself that I could live with it. (…)
If it had happened all of a sudden that I was to lose the last sense that connected me to the world, I would have screamed in terror and found some way as quickly as possible to end my life. But it came upon me gradually, allowing me progressive degrees of acceptance, with hope that every degree of loss would be the last, until, in the growing quiet of my despair, I resolved to accept my fate, having been taken by an odd impulse to find out what life would be like when my hearing was completely gone and, without sight or sound, I had only my own consciousness to amuse me.’
[E.L. Doctorow, Homer and Langley, p. 173-174.]
If it had happened all of a sudden that I was to lose the last sense that connected me to the world, I would have screamed in terror and found some way as quickly as possible to end my life. But it came upon me gradually, allowing me progressive degrees of acceptance, with hope that every degree of loss would be the last, until, in the growing quiet of my despair, I resolved to accept my fate, having been taken by an odd impulse to find out what life would be like when my hearing was completely gone and, without sight or sound, I had only my own consciousness to amuse me.’
[E.L. Doctorow, Homer and Langley, p. 173-174.]
Labels:
Uit de leeszaal
zondag 13 februari 2011
Uit de leeszaal (56)
‘Maar de door Dorothy Carrington genoemde, nu praktisch uitgestorven acciatori waren niet slechts uitwassen van een diep fatalistische verbeelding; ze zouden ook geciteerd kunnen worden als getuigen van een even onbewijsbare als begrijpelijke stelling van de zielsonderzoeker Freud, dat voor het onbewuste denken zelf diegene een vermoorde is die een natuurlijke dood is gestorven. Ik herinner mij heel goed dat ik als kind voor het eerst bij een open kist stond met het doffe gevoel in mijn borst dat mijn grootvader, die daar op de houtkrullen lag, een schandelijk onrecht was aangedaan dat geen van ons overlevenden ooit meer kon goedmaken. En sinds enige tijd weet ik ook: hoe meer iemand, om welke reden dan ook, te dragen heeft van de last van verdriet die de menselijke soort waarschijnlijk niet voor niets is opgelegd, des te vaker komt hij spoken tegen.’
[W.G. Sebald, Campo Santo, p. 40-41.]
[W.G. Sebald, Campo Santo, p. 40-41.]
Labels:
Uit de leeszaal
dinsdag 25 januari 2011
Uit de leeszaal (55)
‘There were eccentric characters in the hotel. The Paris slums are a gathering-place for eccentric people – people who have fallen into solitary, half-mad grooves of life and given up trying to be normal or decent. Poverty frees them from ordinary standards of behaviour, just as money frees people from work. (…)
For, when you are approaching poverty, you make one discovery which outweighs some of the others. You discover boredom and mean complications and the beginnings of hunger, but you also discover the great redeeming feature of poverty: the fact that it annihilates the future. Within certain limits, it is actually true that the less money you have, the less you worry. When you have a hundred francs in the world you are liable to the most craven panics. When you have only three francs you are quite indifferent; for three francs will feed you till tomorrow, and you cannot think further than that. You are bored, but you are not afraid. (…)
And there is another feeling that is a great consolation in poverty. I believe that everyone who has been hard up has experienced it. It is a feeling of relief, almost of pleasure, at knowing yourself at last genuinely down and out. You have talked so often of going to the dogs – and well, here are the dogs, and you have reached them, and you can stand it.’
[George Orwell, Down and out in Paris and London, p. 3.]
For, when you are approaching poverty, you make one discovery which outweighs some of the others. You discover boredom and mean complications and the beginnings of hunger, but you also discover the great redeeming feature of poverty: the fact that it annihilates the future. Within certain limits, it is actually true that the less money you have, the less you worry. When you have a hundred francs in the world you are liable to the most craven panics. When you have only three francs you are quite indifferent; for three francs will feed you till tomorrow, and you cannot think further than that. You are bored, but you are not afraid. (…)
And there is another feeling that is a great consolation in poverty. I believe that everyone who has been hard up has experienced it. It is a feeling of relief, almost of pleasure, at knowing yourself at last genuinely down and out. You have talked so often of going to the dogs – and well, here are the dogs, and you have reached them, and you can stand it.’
[George Orwell, Down and out in Paris and London, p. 3.]
Labels:
Uit de leeszaal
zaterdag 15 januari 2011
Uit de leeszaal (54)
‘Looking back through the last page or two, I see that I have made it appear as though my motives in writing where wholly public-spirited. I don’t want to leave that as the final impression. All writers are vain, selfish and lazy, and at the very bottom of their motives there lies a mystery. Writing a book is a horrible, exhausting struggle, like a long bout of some painful illness. One would never undertake such a thing if one were not driven by some demon whom one can neither resist nor understand. For all one knows that demon is simply the same instinct that makes a baby squall for attention. And yet it is also true that one can write nothing readable unless one constantly struggles to efface one’s own personality. Good prose is like a window pane. I cannot say with certainty which of motives are the strongest, but I know which of them deserve to be followed. And looking back through my work, I see that it is invariably where I lacked a political purpose that I wrote lifeless books and was betrayed into purple passages, sentences without meaning, decorative adjectives and humbug generally.’
[George Orwell, ‘Why I write’, in: Why I write, p. 10.]
[George Orwell, ‘Why I write’, in: Why I write, p. 10.]
Labels:
Uit de leeszaal
zaterdag 18 december 2010
Uit de leeszaal (53)
'Toen ik de deur voorzichtig opende, zag ik Rosemarie ineengedoken in de kast zitten. Ze had alle spullen verwijderd; ze had een tussenplank eruit geslagen en rechtop tegen de achterwand gezet en ze kon zich met opgetrokken knieen zo in de kast wringen dat de deur gewoon dicht kon.
Of we dat wilden doen.
Wat?
De deur sluiten want zij had behoefte aan rust en orde.
Het werd een week lang een idioot gevecht. Zodra zij de kast verliet en bijvoorbeeld naar boven ging of naar buiten, begon mijn moeder die kast in te ruimen, slordig, wat wij niet van haar gewend waren, maar we begrepen allemaal dat het nu ging om het heroveren van terrein. Even later kwam Rosemarie terug en haalde alles weer uit de kast om er vervolgens zelf in te kruipen. Ze leken geen van twee op te willen geven, maar na ongeveer een week was het ineens afgelopen; Rosemarie keek niet meer om naar de kast en mijn moeder begon knielend en zuchtend de kast te soppen en alles weer op zijn oude plaats te schikken.'
[Tomas Lieske, Alles kantelt, p. 202-203.]
Of we dat wilden doen.
Wat?
De deur sluiten want zij had behoefte aan rust en orde.
Het werd een week lang een idioot gevecht. Zodra zij de kast verliet en bijvoorbeeld naar boven ging of naar buiten, begon mijn moeder die kast in te ruimen, slordig, wat wij niet van haar gewend waren, maar we begrepen allemaal dat het nu ging om het heroveren van terrein. Even later kwam Rosemarie terug en haalde alles weer uit de kast om er vervolgens zelf in te kruipen. Ze leken geen van twee op te willen geven, maar na ongeveer een week was het ineens afgelopen; Rosemarie keek niet meer om naar de kast en mijn moeder begon knielend en zuchtend de kast te soppen en alles weer op zijn oude plaats te schikken.'
[Tomas Lieske, Alles kantelt, p. 202-203.]
Labels:
Uit de leeszaal
woensdag 1 december 2010
Uit de leeszaal (52)
‘De eerste avond nam ik Tony mee naar een pub, geloof ik, ik weet het niet zeker, dat had ik in elk geval graag gedaan of geprobeerd, ik wilde niet dat het ook maar een beetje anders was door zijn ziekte, nee, ik wilde niet dat er iets veranderde, in mijn houding, of dat hij dacht dat ik anders met hem omging dan tevoren, dan toen hij die tumor nog niet had. Maar dat viel niet mee, want hij zag er nog net zo uit, hij zag er net zo uit als altijd, behalve dat hij een vermoeide indruk maakte, weinig energie had (…) Dat zoiets gewoon uit het niets kon verschijnen, vanuit zijn binnenste, uit zijn wezen, om hem aan te vallen, om zijn wezen in gevaar te brengen, dat begrijp ik nog steeds niet. Misschien valt er niets te begrijpen, misschien is begrip simpelweg niet mogelijk, niet toepasbaar bij zoiets. Maar het is zwaar, zwaar, om niet te proberen dat te begrijpen, zelfs voor mij, die ervan uitgaat dat alles niets is, dat er geen diepere zin bestaat.’
[B.S. Johnson, Ongeluksvogels.]
[B.S. Johnson, Ongeluksvogels.]
Labels:
Uit de leeszaal
zaterdag 30 oktober 2010
Uit de leeszaal (51)
‘If the trend toward specialisation in science is defined as knowing more and more about less and less, then this is its logical conclusion.
Everything you always wanted to know about nothing.
It began as an essay on experience of the ineffable, but grew, as wind will, to have a life of its own. As it gathered strength, drawing on surprising resources, it became apparent that wind is far from hollow. It is the most vital of metaphors. (…)
All wind’s properties are borrowed. Our knowledge of it comes at secondhand, but it comes strongly. And this combination of a force that cannot be apprehended, but nevertheless has an undeniable existence, was our first experience of the spiritual. A crack in the cosmos that widened to let the tide of consciousness flow through.’
[Lyall Watson, Heaven’s Breath, p. 7-8.]
Everything you always wanted to know about nothing.
It began as an essay on experience of the ineffable, but grew, as wind will, to have a life of its own. As it gathered strength, drawing on surprising resources, it became apparent that wind is far from hollow. It is the most vital of metaphors. (…)
All wind’s properties are borrowed. Our knowledge of it comes at secondhand, but it comes strongly. And this combination of a force that cannot be apprehended, but nevertheless has an undeniable existence, was our first experience of the spiritual. A crack in the cosmos that widened to let the tide of consciousness flow through.’
[Lyall Watson, Heaven’s Breath, p. 7-8.]
Labels:
Uit de leeszaal
Abonneren op:
Posts (Atom)
