vrijdag 27 mei 2011

Het zogenaamde nietsdoen

Collega 1 vroeg zich af of ik mij wel eens in een klooster opsloot om te schrijven. Ik zei dat ik een dergelijke afzondering nog maar zelden zocht, en vroeg hem hoe hij, als wetenschapper, dat deed. Hij onderstreepte het belang van de gelegenheid om goede ideeën te krijgen. Zo wandelde hij elk dag van het station naar het instituut, omdat hij daarmee de kans op ingevingen vergrootte.
Collega 2 vertelde dat hij iets dergelijks onderweg op de fiets ervoer. Zijn fietstocht was juist lang genoeg om iets uit te kunnen denken.
Ik geef mezelf soms opdrachten mee voor onderweg op de fiets, maar krijg de beste ideeën vaak tijdens het ouderwets vaatwassen met de hand. Tijdens het zogenaamde nietsdoen dus. Dagenlange afzondering of celibaat is niet noodzakelijk. Ik geloof dat het uitvoeren van handelingen die je weliswaar aandachtig, maar toch bijna gedachteloos doet, het mogelijk maakt om daardoor in beslag genomen hersencapaciteit op een andere, creatieve manier ook voor iets anders te gebruiken. Als je lucide dromen hebt, kun je een probleem meenemen in je slaap, en het onderbewust gaan oplossen. Neem een man zijn dagdromen af, en je neemt hem zijn leven af.