donderdag 14 oktober 2010

Spot

Ik was al weer in Berlijn toen ik vorige week nog in de tandartsstoel zat. Op het moment dat de welwillende beul zijn boor in mijn kiezen zette, liep ik onder het spoor van de U-bahn door de zonovergoten Köpenickerstraße op. Verheugen bleek een alledaagse vorm van escapisme te kunnen zijn, functionele fictie die werkelijkheid gaat worden.
In de nanoseconde die twee dagen later volgde op het naar beneden storten in de achtbaan De Vliegende Hollander in de Efteling, hoopte ik dat het me ook kon helpen. Het voertuig was echter nog niet halverwege de eerste razendsnelle afdaling, of ik was iedere gedachte aan iets anders dan ‘overleven’ kwijt. Ik krijste niet, ik kotste niet, ik deed mijn ogen dicht en hield me vast, wetende dat me eigenlijk niets kon gebeuren en dat de verschrikkingen binnen een minuut voorbij zouden zijn. Samen met tientallen anderen was ik in het tijdsbestek van 50 minuten in ganzenpas het huis van de kapitein doorgelopen. We hadden ons lijdzaam, maar uit vrije wil, als schaapachtig lachende schapen naar de slachtbank laten voeren. De daadwerkelijke rit over de achtbaan die daarop volgde, was kort, slechts drie minuten misschien, en de laatste halve minuut was het een belediging van de zwaartekracht, de peristaltische bewegingen en de doodsangst. Waarna opluchting ons deel was: we leefden nog.
Ik had ook toen naar Berlijn willen gaan, maar het storten en stijgen en hotsen en botsen was sterker en ik legde me erbij neer. Ik sloot als een echte fatalist mijn ogen, en zweeg. Dit is het dan, dacht ik. Dit is niet wat ik wil, ik wil dit nooit meer, maar nu is het is zoals het is. Nog drie bochten, nog twee, nog een, en dan de tewaterlating…
De rit over de achtbaan verdreef mij niet alleen uit het hier en nu, het was een belediging van het escapisme, en spotte met de kunst van het verheugen.