woensdag 11 november 2009

Verlangen naar troosteloosheid

Terwijl ik vandaag met de bus mijn geboortedorp inreed, viel de treurige atmosfeer als een klamme deken over me heen. Ik dacht aan mijn klasgenoten die er ook geboren waren, met mij op de lagere school hadden gezeten, getrouwd waren, kinderen hadden gekregen die nu onze leeftijd van toen hadden en… er waren blijven wonen. Ik dacht ook aan vrienden die uit vergelijkbare dorpjes elders in Nederland kwamen en, net als ik, met een zucht van verlichting waren vertrokken om er nooit meer terug te keren. En in een binnenzak van mijn bewustzijn hield ik de herinneringen aan steden als Brussel, Bologna en Berlijn bij de hand. Toch bedacht ik me dat ik in die steden juist naar treurigheid op zoek was geweest; daar een verlangen naar troosteloosheid had uitgeleefd, ook al was die dan van een ander karakter.

In een van de deze week uitgezonden documentaires over Berlijn en de val van de muur, nu twintig jaar geleden, reden een man en zijn dochter langs een vervallen fabriek waar hij ooit had gewerkt. Zij schudden steeds moedelozer hun hoofd vanwege het verval van de gebouwen en de verlatenheid van de locatie, terwijl mijn bezoek en ik op de bank juist toenemend enthousiast werden over die plek: waar is dat, wanneer gaan we erheen? Een straatnaam, bitte!
Misschien hangt troosteloosheid niet zozeer samen met de plek op zich, maar met de ervaringen die je er hebt gehad, of die je er verwacht als je er voor het eerst bent (en hij je aan vergelijkbare plekken herinnert). Misschien is er ook een verband met de leeftijd en de vrijheid die je dan wel of niet hebt ervoor te kiezen of je daar wilt blijven. Troosteloosheid mag niet hier en er niet nu zijn, alleen elders, eventjes of de belofte van iets moois zijn dat te beginnen staat. Alleen dan kun je ernaar verlangen, of er troost in vinden – voor je eigen troosteloosheid. Misschien.