Zeventien jaar geleden, toen ik in Italië studeerde, schreef ik dagelijks lange brieven over wat ik daar meemaakte. Die brieven schreef ik spontaan, in één keer op, waardoor ik soms halverwege een zin tot een creatieve wending gedwongen werd vanwege de woordkeus in het eerste deel. Er was geen kladversie: ik maakte een kopie achteraf om te bewaren. Zo ging het uiteindelijk ook gisteren. Omdat het belangrijk was wat ik wilde schrijven, had ik lang nagedacht (tijdens het lopen) en wat aantekeningen vooraf gemaakt. Maar ik vergat die volkomen zodra ik begon te schrijven. Omdat de brief eigenlijk een e-mail was, kon ik natuurlijk corrigeren, en op de backspaceknop drukken. Maar ik wilde niets verzwijgen, niet corrigeren, niets herstellen, gewoon uitspreken wat ik voelde en dacht op dat moment. Zonder reserves.

Gelukkig kwam er antwoord op de brief. Waarmee duidelijk werd dat één brief maar de helft van het verhaal is. De enige echte, samenhangende werkelijkheid gaat schuil in de uitwisseling van brieven. Zo geef je dus een creatieve wending aan de eerste helft van de zin. Dan is er geen angst en aarzeling, maar aandachtig lopen, ademhalen in taal. Dan is er geen vel met aantekeningen, geen kladversie nodig, dan hoef je nooit meer te corrigeren, nooit meer afscheid te nemen, dan is er geen leven meer in Backspace.